(In een supermarkt, bij de frisdrankafdeling)
Zij: Pardon?
Mag ik u iets vragen?
Hij: Dat hoeft u toch niet te vragen?
Zij: Maar mag ik u iets vragen, of niet?
Hij: Ja, ik bedoel, ja,
Zij: Het is wel een gek verzoek, hoor.
Hij: Ach, ik ben wel wat gekke verzoeken gewend.
Zij: Echt waar?
Hij: Bij wijze van spreken dan.
Zij: O ja.
Hij: Eigenlijk…als ik heel eerlijk ben, worden mij zelden werkelijk gekke verzoeken gedaan.
Zij: Vindt u het dan niet vervelend dat ik u nu een gek verzoek doe?
Hij: O nee hoor, niet in het minst.
(silte)
Hij: Sterker nog, ik vind het zelfs wel opwindend.
Zij: Opwindend?
Hij: Bij wijze van spreken dan.
Zij: O ja, ja…
(stilte)
Hij: Maar wat wilde u precies vragen?
Zij: Nou….ziet u dat pak met sinaasappelsappakjes daar bovenin staan?
Hij: Die van het huismerk?
Zij: Ja, die ja.
Hij: Die zie ik luid en duidelijk.
Zij: Pardon?
Hij: Dat was een grapje.
Zij: O ja! Ja, dan was het grappig.
Hij: Maar wat is er met datpak sinaasappelsappakjes aan de hand?
Zij: Welnu, ik overweeg ernstig om tot de aanschaf van deze sinaasappelsap over te gaan, maar ik kan tot mijn spijt niet zelf niet bij het hoogste schap reiken.
Hij: En nu zou u graag willen dat ik, met mijn lengte, het pak voor u naar beneden breng?
Zij: Ach, zou u dat werkelijk willen? Wat vreselijk attent van u.
Hij: Natuurlijk wil ik dat. Het is bijna té vanzelfsprekend.
Zij: Té vanzelfsprekend? U bedoelt, u twijfelt?
Hij: Nee, nee, nee. Absoluut niet. Hetwas maar een uitdrukking.
Zij: O…juist ja.
(stilte)
Hij: Goed. Dan ga ik nu het pak pakken.
Zij: O! Nog één ding…
Hij: Zegt u het maar.
Zij: Als ik heel eerlijk ben, heb ik slechts één pakje nodig uit het hele pak met pakjes. Is dat mogelijk, denkt u?
Hij: Weet u wat? Ik kan het altijd proberen.
Zij: O, echt? Dank u wel!
(Hij pakt een pakje sinaasappelsap uit het pak met sinaasappelsappakjes.)
Hij: Zo. Is het voor uzelf of is het een cadeautje?
Zij: O, nee, dit is gewoon voor mezelf. Voor als ik straks dorst krijg bijvoorbeeld.
Hij: O ja, ja…
(stilte)
Hij: Ik maakte eigenlijk weer een grapje.
Zij: O, echt? O, dan was het heel grappig.
Hij: Ik heb eerlijk gezegd ook helemaal geen cadeaupapier bij me, ziet u?
(Hij opent zijn tas, zij kijkt erin)
Zij: O ja, ja, ik zie het.
(Hij sluit zijn tas weer)
Hij: Dus…als u cadeaupapier zou willen, moet u bij de kassa zijn, ben ik bang.
Zij: Zouden ze daar wel cadeaupapier hebben, denkt u?
Hij: Het lijkt me de moeite van het proberen waard.
Zij: Ja, dat natuurlijk wel ja.
Hij: Anders zou je als winkel natuurlijk wel een modderfiguur slaan, als je de klanten met cadeautjes maar zonder papier naar huis stuurt.
Hoewel, je hoort de afgelopen tijd wel van die verhalen…
Zij: Verhalen?
Hij: Dat ze het tegenwoordig steeds meer gewoon meegeven, zo van ‘hups, u komt er zelf wel uit, meneer?’
Zij: Echt waar?
Hij: Heus.
Zij: Ja, dat is dan natuurlijk ook wel weer waar, ja.
(stilte)
Hij: Zal ik het anders even voor u vragen? Zo gedaan, hoor.
Zij: O, nee, nee, doet u geen moeite. Het gaat zo wel mee. Misschien nog een leuk plastic zakje, klaar.
Hij: Zeker weten?
Zij: Ja echt hoor, maar heel vriendelijk van u.
(stilte)
Hij: Goed. Zal ik het pakje dan nu maar aan u overdragen?
Zij: Als u dat zou willen, dat is bijzonder vriendelijk van u.
Hij: Vanzelfsprekend.
Zij: Maar niet té vanzelfsprekend, hoop ik?
Hij: Pardon?
Zij: Dat was een kwinkslag, geloof ik.
Hij: O ja. Ja.
(stilte)
Hij: Nou…Alstublieft.
(Hij geeft het pakje aan Zij, in de overdracht raakt zij per ongeluk zijn hand aan)
Zij: Oeh, ik raakte zomaar even uw hand aan.
Hij: Ja, inderdaad, Vond u dat vervelend?
Zij: Nee, nee, absoluut niet, nee hoor, in het geheel niet. Nee, het was zelfs…
Hij: Ja?
Zij: Ach, hoe zal ik het zeggen, het was…
hé, nou ben ik het woord kwijt.
(stilte)
Zij: Misschien….Kunt u het misschien nog een keertje doen? Ik weet het niet, wie weet vraag ik nu wel veel te veel hoor, ik bedoel ik heb al veel van uw kostbare tijd verspild en ik kan me heel goed voorstellen dat u, dus, in dat geval –
Hij: O, nee, nee, het is absoluut geen moeite.
Kijk, daar ga ik al.
(Hij raakt heel even de hand van Zij aan)
Zij: O ja! Ja, nu weet ik het weer. Het voelde absoluut…
Hij: …Ja?
(stilte)
Zij: …Fijn.
(Om Hij en Zij heen ontploffen de colaflessen in de schappen, de supermarkt wordt overspoeld door een oceaan aan frisdrank.)