Toneel


Medea fascineert toeschouwers al meer dan 2500 jaar. Logisch, want dit klassieke toneelstuk over een moeder die haar kinderen vermoordt, spreekt nog steeds tot de verbeelding. Toch wordt het in de versie van het Nationale Toneel nooit echt intens.

Het toneel heeft veel weg van een uitgestorven woestijn, waar je via een spiegelwand op neer kijkt. In deze barre omgeving speelt het verhaal van Medea zich af, een Griekse tragedie met een grote ‘T’. Dit decor, het dreigende geluid van didgeridoos en stemmige videobeelden vormen een betoverend en onheilspellend geheel.

Alles is in huis
Het verhaal wordt sfeervol verteld door topacteurs als Ariane Schluter (bekend van de film Ober), Peter Blok (Cloaca) en Peter Bolhuis (Waar is het Paard van Sinterklaas?). Tel daarbij op dat de regie in handen is van Johan Doesburg, die ook artistiek leider is van het Nationale Toneel en al meer dan vijfenveertig stukken succesvol regisseerde, en alle ingrediënten voor een oerschreeuw van een voorstelling lijken aanwezig.

Onderkoeld en veilig
Helaas. Zo dreigend als het decor overkomt, zo braafjes blijft lange tijd het spel. Doesburg zegt geïnteresseerd te zijn in ‘het fundamentalisme van Medea’. Toch maakt hij van haar geen verwoestend schepsel, maar een berekenende vrouw. Ze tiert, smeekt, aarzelt en vergiftigt , maar in de handen van Schluter verliest ze nooit de controle. De onderkoelde spanning die in de dialogen tussen haar en Jason (een sterke Peter Blok) sluimert, is spannend om naar te kijken, maar Medea mist uitbarstingen van oprechte emoties. Hierdoor blijft het gruwelijke thema, hoewel mooi weergegeven, op een veilige afstand.

Geen pieken
Eigenlijk doet Medea weinig écht fout. De voorstelling is smaakvol en verveelt geen moment. Wat mist zijn de pieken en een sterke eindsprint. Jammer, want de pijn en wanhoop van dit eeuwenoude stuk kunnen tot een overrompelende ervaring leiden. Het is allemaal prachtig om naar te kijken, maar er ontbreekt één ding: instinct.

Medea – Het Nationale Toneel
t/m 24/1/2009
Diverse locaties in Nederland
www.nationaletoneel.nl

Giel: O.

Rachel: En nou terugkrabbelen, zeker?
Nu gaan we ineens hand in hand meezingen, zeker?
Nu gaan we ineens wel copyright betalen, zeker?

Giel: Ik had je helemaal niet herkend.

Rachel: Nee, iemand zal me ook ’s zien staan, zeker, voor alles wat ik voor André doe.

Giel: Je bent veel knapper in het echt.

Rachel: Het zal ook ‘s – Wát?

Giel: Je bent een hele aantrekkelijke vrouw.

Rachel: En jij bent de paus van Catalonië, zeker?

Giel: Ik meen het. Je lippen, je ogen, dat wespenlijfje.
Je mag dan wel de mond van een baggerwerker hebben, je bent gewoon een mooie meid.

Rachel: Gatverdamme! Als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn dat van die opzuigers die doen…van die types die achter je rug…laten je geloven…

Giel: Ho! Je kan een hoop zeggen, maar ik ben géén opzuiger…

Rachel: Alleen maar om…om…

(Rachel begint te huilen)
Giel: Wat is er?

Rachel: (huilend) ‘MOOIE MEI-HEID!’

Giel: Da’s toch niks om voor te gaan huilen? Ik bedoelde het goed.

Rachel: De laatste die dat tegen me zei, was Dree-hee-hee-tje…
(ze vermant zichzelf)
Nee, Rachel nee, niet huilen! Niet huilen!
(ze slaat zichzelf)
Ophouden nu, kutwijf! Ophouden!

(Giel pakt Rachels handen vast)
Giel: Hou op!

Rachel: Ik ben een sterke vrouw, ja toch zeker. Ja zeker?

Giel: Je bent een sterke vrouw. Een mooie sterke vrouw, hoor je. Een paardenbloem van een vrouw!

Rachel: (snikkend) Slijmbal.
(Giel geeft haar uit zijn pak een zakdoek, ze snuit haar neus) Dank je.

(stilte)

Giel: …Wil je misschien iets van me drinken?

Rachel: En jou laten betalen van het geld dat André toekomt? Nee, dank je.
Ik kan m’n eigen drankjes wel betalen…

Giel: Dat…(zucht)

(stilte. Giel begint te knorren)
Rachel: Wat doe je?

(Giel knort nogmaals)

Rachel: Doe normaal.

Giel: Ik probeer je aan het lachen te maken.

Rachel: Vertel dan een mop.
Jij kan ook alleen maar raar doen, hé?

Giel: Ik kan ook dansen.

(Rachel en Giel kijken elkaar aan)

Giel: Ik bedoel je, zou je…mag ik…

Rachel: Ja?

Giel: Wil je m’n oksels zien?

Rachel: Gatverdamme!

Giel: Sorry! Ik bedoel…

Rachel: Wat wil je nou?

Giel:
Nee, laat maar. Stom idee.

(Giel staat op, Rachel houdt hem tegen)

Rachel: Nu wil ik het weten ook. Ik kan er niet tegen als mensen dingen voor me verzwijgen.

(Giel kijkt Rachel aan, perst de woorden uit zijn mond)

Giel: Ik dacht….zou…wil je misschien…dansen?

Rachel: Dansen?

Giel: Ik zei toch dat het een stom idee was.

Rachel: Wil jij…ik…jij…met mij?

Giel: Ja, ha-ha. Zeg maar tegen al je vrienden dat je ten dans bent gevraagd door een plaatjesdraaier in een varkenspak. Lachen, Giel.

Rachel: Ik heb nog helemaal geen nee gezegd.

Giel: Doe dat dan.

Rachel: De nacht is nog jong, plaatjesdraaier, en de dansvloer leeg.

Giel: Wat? Maar net vond je me nog een slijmbal…

Rachel: Nee, ik denk dat je gestoord bent. Maar misschien is knettergek wel precies wat we nodig hebben.

Giel: Zeker?

Rachel: Ja, zeker.
Barry!

(De barman zet ‘Geef mij je angst’ in. Rachel steekt haar hand uit naar Giel. Die neemt haar aanbod aan. Ze schuifelen.)

1. (RACHEL HAZES zit in een bruin café aan de bar, ze drinkt whisky. In de bar wordt muziek van André Hazes gedraaid. Rachel praat tegen de barman, die niets terug zegt)

Rachel: Een beetje verliefd. Een beetje verliefd, ja.
Beetje verliefd op z’n stem, verliefd op jullie eigen centjes.
Maar betalen? Nee, zeker.
Wel met z’n allen naar Ahoy, en janken tot je een ons weegt, maar je zou ’s gewoon je portemonnee uit je broek moeten halen.
Als je, als je, een meloen koopt, op de markt, nou, dan ga je ‘m toch ook niet stelen?
Nou, dan.
En dan heb je ook nog ’s de meelifters, de uitvreters, de lijkenpikkers, de plaatjesdraaiers, en God weet wat voor tuig. Die moesten zich gaan schamen, ja zeker.
Komt hier straks zeker ook weer een imitator?
Lachen! Handjes in de lucht!
Ja, zeker.
Varkens zijn jullie, varkens.

(De barman schenkt nog een whisky voor haar in. GIEL BEELEN komt naast haar zitten, in een varkenspak.)

Giel: Een whisky, graag.
Doe maar een dubbele.
Doe maar een driedubbele.

Rachel: Varkens zijn het, varkens.

Giel: Nou, zeg.

(Rachel begint nu tegen Giel aan te praten, kijkt hem niet aan)
Rachel: Jij komt hier zeker ook om gratis naar Dre te luisteren?

Giel:
Mag ik? Ik heb een hele zware dag op het kantoor achter de rug.

Rachel: En dan zeker allemaal gebrande cd’s van Dre in de kast staan?
Die man is gestorven voor jullie, en wat doen jullie?
Denken alleen maar aan jezelf.

Giel: Giel, loop eens een dag rond met een varkenspak.
Giel, laat je paarse snikkel nog eens zien.
Giel, stop weer eens een bierflesje in je reet.
Lachen, joh.

Rachel: Andre draait zich om in zijn graf,
En wie ligt er ’s nachts te woelen in haar bed?
Ik, zeker. Omdat jullie je klauwen niet thuis kunnen houden.

Giel: Zou zo graag ‘s, ik weet niet, een diepte-interview.
Zomergasten, dat lijkt me wel wat.
Giel, pijp nog eens een bever. Lachen.
Rachel: Zul je zien, straks plunderen ze ook nog de nalatenschap van Dreetje en Roxanne, en die zijn nog niet eens dood.

Giel: Was ik maar dood.

Rachel:
Ach, klaag toch niet zo, vent.

(Rachel kijkt op, ziet dat Giel een varkenspak draagt)
Rachel: Je ziet er trouwens belachelijk uit.

Giel: Dit is mijn werkkleding.

Rachel: Wat doe je dan? Iets in de bio-industrie, zeker?

Giel: Nee, jij bent –

(Giels adem stokt)

Rachel: Wat?

Giel: Ik mag klagen. Je hebt geen idee hoe zwaar mijn leven is.

Rachel: (bekijkt varkenspak) Nou…

Giel: (pakt Rachel vast) Niemand begrijpt me!

(Giel en Rachel kijken elkaar aan. Rachel duwt Giel weg.)

Rachel: O, maar ik begrijp je wel hoor. Ik heb veel gevoel voor dat soort dingen.
Je bent een idioot in een varkenspak.

Giel: Dit pak is maar een masker. Daarachter schuilt een teergevoelige vlinder, een artiest!

Rachel: Artiest? Laat me niet lachen. Een clown, ja zeker, maar verder…

Giel: Ik draai muziek op de nationale radio, zuurkut! Ik ben een BN’er!
Het volk, dat houdt van mij!

Rachel: Jij, een BN’er? Ha, ik zei het toch, een clown!
Jij mag nog niet eens in de schaduw van Andrés voetstappen staan.

Giel: Daar zijn ze ook veel te zwaar voor…

(Rachel bestudeert Giel’s gezicht. Giel voelt zich hier ongemakkelijk bij)
Rachel: Wacht ‘s…ben jij niet die ene plaatjesdraaier die overal z’n piemel laat zien.

Giel: Overal, overal…
Dat is kunst. Maar zo iemand als jij zou dat niet weten.

Rachel: En wat bedoel je daarmee?

Giel: Wie luistert er nog naar Andre Hazes?

Rachel: Jij bent zo’n type die kwaad spreekt over André, zeker?
Wálgelijk, en dan wel weer voor niks z’n plaatjes draaien,

Giel: Hazes? Ik draai alleen maar kwaliteitsmuziek, geen achterhaalde carnavalskrakers!

Rachel: Cárnávál?!

Giel: Ja, carnaval, ja! Met rijmschema’s die m’n neefje van 5 nog niet zou durven te zingen.
(citeert Hazes) ‘ik ontmoette een meisje
met een hartje van goud
die me alles wil geven en veel van mij houd’
Ja, dat rijmt, bolle!

Rachel: Afgunst, afgunst! En wie krijgt de afgunst weer op haar bordje, ik zeker!
Je kan het gewoon niet hebben dat mijn Dré wel talent had! Maar stiekem koketteren jullie hem wel de pan uit, alsof het een of andere paljas is!
Mijn Dreetje, dat was pas een echte artiest.

Giel: Volgens mij moet jij een beetje ontspannen.
Je moet ’s naar Racoon luisteren, daar word je rustig van.
Goede muziek voor anale seks ook.

Rachel: Jij bent in het echt nog vervelender dan op de radio.

Giel: Denk je echt dat ik dat echt zo ben als op de radio?

Rachel: Nee. Je bent vervelender.

Giel: Zei de Hazesgroupie.
Waar is je Boa, wijffie?

Rachel: Heb jij enig idee wie ik ben, plaatjesdraaier?

(Rachel trekt Giel naar haar toe. Giel herkent haar)

(Ouderwetse woonkeuken. Vergane glorie. Aan de muur schimmelige familieportretten . FOSKO (28), een loodgieter, zit voorovergebogen in een aanrechtkastje aan de leidingen te sleutelen. SYLVIA (60), zwaar opgemaakt en netjes gekleed, zit op een ouderwetse schommelstoel en doet een kruiswoordpuzzel)

Sylvia:
Fosko, lieverd? Weet jij deze:
‘Politieke waterschade kost nix.’. Negen letters.

Fosko:
Het Watergate-schandaal, mevrouw.

Sylvia:
Watergate….(telt het na) Ja, dat past!
Och, ik heb vandaag toch zo’n pijn in m’n rug, Fosko lieverd. Zo’n snerpende, zo’n jankende.

Fosko:
(vindt iets) Hé? Alwéér?

Sylvia:
Hoe wist jij dat eigenlijk? Jij was helemaal nog niet geboren toen, deugniet. Jij bent 28 jaar en 234 dagen oud.

Fosko:
Ik kijk Lotto weekend miljonairs, mevrouw.

Sylvia:
Het Watergateschandaal. Kijk, dat weet jij dan weer. Een loodgieter, nota bene.
Ik heb altijd gezegd, je moet de arbeiders niet onderschatten. Papalief trok er z’n neus voor op, wilde onder geen beding met ze praten. Maar ja, papa is samen met loodgieters vergast in Auschwitz, dus uiteindelijk waren ze toch allemaal gelijk.

(Fosko komt uit het kastje gekropen)

Fosko:
Heeft u last van ongedierte?

Sylvia:
Par-don!

Fosko:
Het verbindingsrubbertje van de leidingen is wéér verdwenen. Dat gebeurt bij u altijd.

Sylvia:
Ach, wat gek.
Heb ik je wel eens verteld dat ik in de oorlog zelfs zat ondergedoken bij arbeiders?

Fosko:
Ja, mevrouw…

Sylvia:
Papalief kon er z’n gat nog niet mee afvegen, maar arbeiders zijn tegen mij altijd heel vriendelijk geweest.
Jij ook, Fosko

Fosko:
Ja, mevrouw…

Sylvia:
Weet je nog, die kleine watersnoodramp die we hier hebben gehad? Toen heb jij me nog uit huis gedragen. Dat is alweer5 jaar geleden.

Fosko:
Toen was het ook het rubbertje.

Sylvia:
Gek kan het lopen. Als we toen niet die watersnoodramp hier hadden gehad, waren we een prachtige vriendschap misgelopen. Wacht. Ik zal je de foto’s van die arbeiders laten zien.

(Sylvia hobbelt af. Fosko rommelt in de kist, pakt het rubbertje. Sylvia terug met foto)

Sylvia:
Zie je. Hier was ik een jaar of vier. Schatten van mensen hoor, maar dat jurkje dat ze me aan hadden getrokken. dat kan écht niet.

(Fosko bekijkt de foto, draait ‘m om, ontdekt iets)

Fosko:
U zei toch dat u in de oorlog ondergedoken zat?

Sylvia:
Verschrikkelijke tijden, daar kan jij je geen voorstelling van maken, lieverd.

Fosko:
Deze foto is uit 1953.

(Sylvia pakt de foto)

Sylvia:
1953? Dat is het jaar van de watersnoodramp, lieverd. Je bent in de war.

(Stilte. Sylvia gaat verder aan haar puzzel. Fosko blijft even staan, kruipt dan weer het kastje in)

Sylvia:
Fosko, lieverd, weet jij deze?
Middelgrote katachtige, oude spelling. Vier letters.

Fosko:…Lynx.

Sylvia:
Vandaag toch zo’n pijn aan m’n rug. Zo’n pijn…

(In een supermarkt, bij de frisdrankafdeling)

Zij: Pardon?
Mag ik u iets vragen?

Hij: Dat hoeft u toch niet te vragen?

Zij: Maar mag ik u iets vragen, of niet?

Hij: Ja, ik bedoel, ja,

Zij: Het is wel een gek verzoek, hoor.

Hij: Ach, ik ben wel wat gekke verzoeken gewend.

Zij: Echt waar?

Hij: Bij wijze van spreken dan.

Zij: O ja.

Hij: Eigenlijk…als ik heel eerlijk ben, worden mij zelden werkelijk gekke verzoeken gedaan.

Zij: Vindt u het dan niet vervelend dat ik u nu een gek verzoek doe?

Hij: O nee hoor, niet in het minst.

(silte)

Hij: Sterker nog, ik vind het zelfs wel opwindend.

Zij: Opwindend?

Hij: Bij wijze van spreken dan.

Zij: O ja, ja…

(stilte)

Hij: Maar wat wilde u precies vragen?

Zij: Nou….ziet u dat pak met sinaasappelsappakjes daar bovenin staan?

Hij: Die van het huismerk?

Zij: Ja, die ja.

Hij: Die zie ik luid en duidelijk.

Zij: Pardon?

Hij: Dat was een grapje.

Zij: O ja! Ja, dan was het grappig.

Hij: Maar wat is er met datpak sinaasappelsappakjes aan de hand?

Zij: Welnu, ik overweeg ernstig om tot de aanschaf van deze sinaasappelsap over te gaan, maar ik kan tot mijn spijt niet zelf niet bij het hoogste schap reiken.

Hij: En nu zou u graag willen dat ik, met mijn lengte, het pak voor u naar beneden breng?

Zij: Ach, zou u dat werkelijk willen? Wat vreselijk attent van u.

Hij: Natuurlijk wil ik dat. Het is bijna té vanzelfsprekend.

Zij: Té vanzelfsprekend? U bedoelt, u twijfelt?

Hij: Nee, nee, nee. Absoluut niet. Hetwas maar een uitdrukking.

Zij: O…juist ja.

(stilte)

Hij: Goed. Dan ga ik nu het pak pakken.

Zij: O! Nog één ding…

Hij: Zegt u het maar.

Zij:
Als ik heel eerlijk ben, heb ik slechts één pakje nodig uit het hele pak met pakjes. Is dat mogelijk, denkt u?

Hij: Weet u wat? Ik kan het altijd proberen.

Zij: O, echt? Dank u wel!

(Hij pakt een pakje sinaasappelsap uit het pak met sinaasappelsappakjes.)

Hij: Zo. Is het voor uzelf of is het een cadeautje?

Zij: O, nee, dit is gewoon voor mezelf. Voor als ik straks dorst krijg bijvoorbeeld.

Hij: O ja, ja…

(stilte)

Hij: Ik maakte eigenlijk weer een grapje.

Zij: O, echt? O, dan was het heel grappig.

Hij: Ik heb eerlijk gezegd ook helemaal geen cadeaupapier bij me, ziet u?

(Hij opent zijn tas, zij kijkt erin)

Zij: O ja, ja, ik zie het.

(Hij sluit zijn tas weer)

Hij: Dus…als u cadeaupapier zou willen, moet u bij de kassa zijn, ben ik bang.

Zij: Zouden ze daar wel cadeaupapier hebben, denkt u?

Hij: Het lijkt me de moeite van het proberen waard.

Zij: Ja, dat natuurlijk wel ja.

Hij: Anders zou je als winkel natuurlijk wel een modderfiguur slaan, als je de klanten met cadeautjes maar zonder papier naar huis stuurt.
Hoewel, je hoort de afgelopen tijd wel van die verhalen…

Zij: Verhalen?

Hij: Dat ze het tegenwoordig steeds meer gewoon meegeven, zo van ‘hups, u komt er zelf wel uit, meneer?’

Zij: Echt waar?

Hij: Heus.

Zij: Ja, dat is dan natuurlijk ook wel weer waar, ja.

(stilte)

Hij: Zal ik het anders even voor u vragen? Zo gedaan, hoor.

Zij: O, nee, nee, doet u geen moeite. Het gaat zo wel mee. Misschien nog een leuk plastic zakje, klaar.

Hij: Zeker weten?

Zij: Ja echt hoor, maar heel vriendelijk van u.

(stilte)

Hij: Goed. Zal ik het pakje dan nu maar aan u overdragen?

Zij: Als u dat zou willen, dat is bijzonder vriendelijk van u.

Hij: Vanzelfsprekend.

Zij: Maar niet té vanzelfsprekend, hoop ik?

Hij: Pardon?

Zij: Dat was een kwinkslag, geloof ik.

Hij: O ja. Ja.

(stilte)

Hij: Nou…Alstublieft.

(Hij geeft het pakje aan Zij, in de overdracht raakt zij per ongeluk zijn hand aan)

Zij: Oeh, ik raakte zomaar even uw hand aan.

Hij: Ja, inderdaad, Vond u dat vervelend?

Zij: Nee, nee, absoluut niet, nee hoor, in het geheel niet. Nee, het was zelfs…

Hij: Ja?

Zij: Ach, hoe zal ik het zeggen, het was…
hé, nou ben ik het woord kwijt.

(stilte)

Zij: Misschien….Kunt u het misschien nog een keertje doen? Ik weet het niet, wie weet vraag ik nu wel veel te veel hoor, ik bedoel ik heb al veel van uw kostbare tijd verspild en ik kan me heel goed voorstellen dat u, dus, in dat geval –

Hij: O, nee, nee, het is absoluut geen moeite.
Kijk, daar ga ik al.

(Hij raakt heel even de hand van Zij aan)

Zij: O ja! Ja, nu weet ik het weer. Het voelde absoluut…

Hij: …Ja?

(stilte)

Zij:
…Fijn.

(Om Hij en Zij heen ontploffen de colaflessen in de schappen, de supermarkt wordt overspoeld door een oceaan aan frisdrank.)

(De Vader op. Steekt een sigaret op. Rookt. Richt zich direct tot het publiek)

Vader: U zult het misschien niet geloven,
Door de positie van mijn vingers,
De achteloze wijze waarop ik inhaleer,
-mensen die niet beter weten zullen zeggen, ‘verveeld’-
En mijn afgewerkte wolken,
Maar dit is,
De eerste sigaret die ik in mijn leven ooit rookte.

(Dochter binnen. Ze gaat zitten, begint een mand te vlechten. Ze draagt een ouderwetse baljurk. Toonbeeld van nijverheid en de 19de eeuw. Vader slaat geen acht op haar)

Vader: Een dikke vent, achterin de dertig, schat ik, een Costa Ricaan.
Zelfs op zijn sigaret zit zweet.
‘Wil je?’, vraagt hij, en hij steekt mij er één toe.
Als ik geen antwoord geef, gebiedt hij me.
‘Neem’, zegt hij, ‘neem, neem, neem’,
Gebroken taal.

Maar nu.
Wat? Twintig jaar later.
Verlangen met terugwerkende kracht.

Wat doet een Costa-Ricaan, buiten het hoogseizoen,
In een beschimmeld biljartcafé?
Ik vertrouwde het gelijk al niet, maar kijk mij nu eens.
Als u het me kunt vertellen, graag.

(Hij drukt de sigaret uit, gaat af. De dochter blijft vlechten. Donker)

(Viktors parade betreedt de stad. Een bijna onwerkelijk vertoon van glitter en glamour. Schaars geklede meisjes zingen, roepen, overal klinkt muziek. Vanuit alle hoeken en gaten komen de inwoners van het Hebeca het schouwspel bekijken, zichtbaar onder de indruk)

 

Paradegangers:                  Kijk!

Lust ligt in de koopjesbak!

Proteine moisturizers tegen uw depressies!

U kunt gelukkiger zijn dan u denkt!

Wij vullen straten met boterkoeken!

De parade van de toekomst is gekomen

Om u te dienen!

 

Kijk!

Wij brengen de berg naar Mohammed!

Doorzichtig goud spoelt onze rivieren helder!

Een waterval van wodka kleurt de regenboog!

Vergeet uw glazen kerk van zoetstof!

Een nieuwe dag vol fonkelen is gekomen

Om u te dienen!

 

Kijk!

Teleurstelling is een keuze van het verleden!

Emoties zijn een parodie op bevrediging!

Leg jezelf te vondeling

in de tempel van de marktwerking!

De verloren zoon is teruggekeerd

Om u van geluk te dienen!

 

Kijk!

Een leven vol rozen is eindelijk te koop!

De toekomst staat in een pluchen etalage!

U bent de aarbeienmilkshake

Van een neon-giga-glimparadijs!

Viktor Vodka is teruggekomen

om u van geluk te dienen!

 

 

(De parade komt tot een stilstand, uit een bladerhaag van mensen, of misschien wel ondersteund door knetterend vuurwerk, doet Viktor voor het eerst zijn intrede. Hij betreedt een podium, onberispelijk gekleed, overziet de menigte, poseert als een soort caesar. Hij laat een lange, plechtige stilte vallen voor hij zijn toespraak aanheft)

 

Zit, kom!
Binnenkort te zien in theaters nabij u!
Een heuse theatersitcom over vriendschap, of laten we zeggen, de illusie daarvan.

Met gnoe’s, pannenkoeken, Jort Kelder, Triviant the battle, schildklierafwijkingen, bákken, bákken latex, en Terschelling 2001, baby. Humor om te lachen!

Regie/concept/vormgeving: Michael Harris
Tekst: Sytze Schalk
Spel: Erik Creutzberg, Matthijs Hajonides van der Meulen & Rick Schellinkhout
Stemmen: Sara Vesseur, Gerda Glansbeek
Regiebegeleiding: Ronen Rao

Do 22 mei: Theaterrestaurant Any Dale, googweg 9a, Muiderberg, 20:00u
Vr 23 mei: Theaterrestaurant Any Dale, googweg 9a, Muiderberg, 20:00u
Za 24 mei: Theaterrestaurant Any Dale, googweg 9a, Muiderberg, 19.30u
Wo 28 mei: Akademie Theater HKU, Janskerkhof 4, Utrecht, 20:30u
Za 14 juni: Fijnhout Theater, Lootsstraat 37-39, Amsterdam, 21:00u

Reserveren: +316 248 782 76 of michaelharris9@hotmail.com

Treurwilg:

Ik weet waarom ik het doe, waarom ik op avonden op het bankje achter je huis zit.
Ik weet dat je me ziet.
Ik ben het grijze uur van de dag, waarin alle kleuren uit de stad zijn weggezogen,
Mijn dagen zijn nachten waarin alles roerloos ligt en alleen ik wakker naar het plafond staar,
Soms een toeterende auto, en ik tel af naar de schemering.
De geur van lang gras en paardenbloemen en een enkele hondendrol.
Je hebt een hark als uit de jaren ’30, ik weet dat je die van je vader hebt gekregen.
Ik weet waarom ik zie wanneer je huilt.
Ik heb ooit.

ik trek even heel hard aan je oorlel.
We vrijen als oorlogsslachtoffers, jij ligt onbeweeglijk;
Ik beweeg me in je, voorzichtig heen en weer, alsof ik duizend krassen en kogelgaten dep.
Je zegt niets, zelfs kreunen doe je niet, maar als we klaar zijn neem je me in je armen.
Je ademt mijn wolkjes. Mooi. Fluistert: ‘Ik hou van je’

Op een dag was je verdwenen.
Geen schoenen,
geen slipjes,
geen vrouwenbladen meer,
geen toiletspullen,
zelfs het bed was zeer vakkundig gehalveerd.
Mijn moeizaam opgebouwde levensvreugde, opgewektheid, enthousiasme en scherpzinnigheid stokten:
Ik zag mezelf.
een Remy, met afstand de lelijkste van het asiel en beslist geen economische keuze.

‘Het spijt me. Ik bel je. Morgen misschien.’

Nu leef ik op de donkere bodem van een schichtige kloof.
De geur van lang gras en paardenbloemen en een enkele hondendrol.
Ik heb je horen zingen over een onzichtbare /
Een regen van grint en een hand die uit de vloerbedekking kraagt als ondood.

Soms loop ik de brandtrap op en leg omstebeurt mijn oren tegen de nooddeur. Als een vogeltje fluit ik mee met de melodie van de elektronische bel, de avond valt, de zon komt op.
Ik neem een groene thermoskan met sterrenmuntthee mee, en als het woensdag is, bokkenpootjes.
Als in een spookhuis hoor ik stemmen
zonder lichaam, ver van binnen,
boven de golven van jouw vingers over de piano,

ken ik je soms als fluisterend vloeken,

soms als een hoge, meisjesachtige lach. De lach past bij je. Toen ik je voor het eerst hoorde, was ik bang dat het een kakellachje zou zijn, maar je bent zacht en egaal, afgerond.

‘Ik hou van je luie stem’
Het is een compliment, en mijn neus in een bobbel vind je ook lekker.
Je speelt er met je vingers over.
Kon ik maar bepalen op welk stukje jou ik verliefd ben geworden, dan zou ik het verwerpen.

Ik weet waarom ik het doe.
De eerste keer probeerde je me een biljet in handen te schuiven.
De nacht is nog niet ingetreden als ik mijn verrekijker uit de leren hoes haal.
Als het herfst is zetel ik soms op de composthoop die jij in de vroegte van dauw bijeen hebt geveegd.
Je hebt een hark als uit de jaren ’30, ik weet dat je die van je vader hebt gekregen.
Je draagt een regenboogmuts, ik durf te wedden dat die soms wat muf ruikt.
Je bent perfect.

Soms voel ik me het mooiste schilderij in het archief van het Rijksmuseum.
Je muze met stoppels en een erectie
Ik weet dat je me ziet
Waarom ik zie
wanneer je huilt.
Dus niet bang zijn
Je ademt mijn wolkjes.
Je ademt mijn wolkjes.
En ik heb ooit.

Niemand geeft om volkstuintjes terwijl ik daar toch geboren ben, naast de staalkachel kwam ik ter wereld op een stinkend kleedje. Mijn moeder, een vluchteling, werd later doodgeslagen door de rechtmatige eigenaar van het huisje. Hij is mijn vader, want hij nam me in huis.

Ik ben door blanken opgevoed, ik ben de knuffel op de kermis die gaat stinken en maanden later uit elkaar valt. Er zit geen kwaliteit in mij, ik ben een massaproduct van vlijtige Birmese kinderhandjes, of luie kinderhandjes uit Oeganda.

Maak me niet zo treurig als je zingt, zing liever iets leuks.