En dat hij zonder woorden thuiskomt,
De kussens van de bank gebiedt.
Dat het niet bij hem opkomt de Parmezaanse te strooien,
Terwijl expliciet in het recept vermeld.

En dat.

En dat.

En dat.

En daarom.

En nog veel meer.

Dan dat alleen.

Ik ben een gezonde Hollandse jongen, en dat ben ik niet zomaar geworden.
Daarvoor heb ik jarenlang tot mij genomen een dieet van verse rabarbers, winters met echt ijs (en echte wakken), kwartetspellen met vieze plaatjes die de krankzinnige jongen ons op het schoolplein liet zien…

En natuurlijk, Ren & Stimpy. Mijn vaste kost en steun en toeverlaat voor tussen de middag. Uitgezonden op RTL 4, nota bene. Het was een onschuldige en zalige tijd. Ik at toen nog saucijzenbroodjes en wist niets van deadlines of verknipte schoonheidsidealen. Ik droeg mijn haar in stekeltjes.

Hieronder een kleine bloemlezing uit het rijke, rijke oeuvre van misschien wel de beste kindertelevisie ooit gemaakt. En het bewijs dat kinderen, als het nodig is, veel meer kunnen hebben dan je redelijkerwijs van ze zou mogen verwachten.

Een paar dagen geleden, zag ik vanaf de door mij onrechtmatig bezette invalideplaats in de Amsterdamse stadstram, omstreeks het Damrak het smoezelige uithangbord van een
‘Hotel Neutraal’.

Het houdt me nog steeds een beetje bezig.
Waarom zou iemand zijn hotel zo noemen?

(Hypothese: Een uitbater die zich op het Zwitserse toeristensegment heeft gericht? Of ligt dat te veel voor de hand?)

In de animatiefilm ‘Paprika’ (2005) van Satoshi Kon, merkt de titelheldin, letterlijk een droomvrouw met rood haar en een perfect animatielichaam, op een bepaald moment op dat dromen en internet eigenlijk behoorlijk op elkaar lijken. Beide zijn immers vrijplaatsen voor het onderbewustzijn.

Ze heeft volgens mij gelijk, of nee, natuurlijk heeft ze gelijk want ze is een perfecte animatievrouw, maar er is wel één groot verschil.
Dromen kennen geen zoekmachinetermen.

Een tijdje geleden heb ik bij wijze van experiment een aantal vieze termen op mijn weblog gezet, om er achter te komen of ik zo meer bezoekers op mijn weblog zou krijgen, en het resultaat was bevestigend. En nogal ontluisterend. Maar goed, ik krijg nog wel steeds dagelijks een paar bezoekers extra bij, en dat is ook waard. Kost je wel een stukje van je ziel en waardigheid, maar soit.
Hieronder een paar juweeltjes die ik niemand zou willen onthouden:

‘Dansende Tieten (Met afstand de meest gebruike zoekterm)
‘Kleine geile billetjes’ (belangrijke nuance)
‘Japanse Bukkake Sperma in Oog’ (In tegenstelling tot pakweg een oor of knieholte)
‘filmpje van vrouw die kind uit perst’ (Ook elke ochtend te zien op SBS 6)
‘Sperma op haar buik’ (weer heel ergens anders dus dan in haar oog)
‘Neefje geile billetjes’ (In de keuken van oom Bart met schuimpjes…)
‘Anti Oxidanten Sperma’ (Nee. Nee. Nee. Nee.)
‘Gerda Mulders haar tieten’ (WIE is Gerda Mulder? Nee, echt. Wie?)
‘Hunkerende huisvrouwen’ (Het stemt mij zo gelukkig dat mensen daadwerkelijk naar hunkerende huisvrouwen zoeken. Het heeft iets literairs, vind ik)
‘Waar ruikt sperma naar’ (Naar kalk. En kastanjes.)
‘Kastanjeboom ruikt naar sperma’ (Zie je. Is trouwens echt waar)
‘Richard Knopper tepels’ (houdt mensen ook ontzettend bezig. En terecht)

En Godzijdank heeft één iemand tussen al die vuiligheid ook nog gezocht naar
‘Sytze Schalk’. Eenmaal.

In de film ‘Cure’ (1997) van Kiyoshi Kurosawa worden willekeurige mensen door een vreemde zwerver aangezet om gruwelijke daden te plegen. Het enge aan deze film is dat deze daden niet uit de lucht komen vallen, maar al lang sluimerend aanwezig waren in deze schijnbare ‘normale’ mensen. Ze hebben alleen maar een klein zetje nodig om deze dingen ‘van binnen’ naar buiten te brengen.

‘Het internet en dromen lijken eigenlijk behoorlijk op elkaar, denk je niet?’

Nee
Nee nee nee
NEE
O nee hoor
Neuh neuh neuh neuh
Nee
Neetje
Njet
Nee
Jij denkt dat ik het fijn vind om zo in je armen te liggen
Vergeet het maar mister
Je bent maar een stofje in m’n kopje.
Een vlekje in m’n breintje
En dat het kuiltje in m’n wang perfect aansluit op de jouwe
Dat zijn gewoon jouw gluiperige feromonen
En dat je hele dagen in mijn hersens danst
Is ook maar door mijn domme dronken instincten
Je kunt mijn ogen voor de gek houden
Maar m’n hart laat zich niet zomaar omkopen,
Nee
O nee nee nee nee
Hell Naw!
Echt nee
Je bent niet meer
Dan mijn steigerende lichaam
Een honger, een dorst,
Nee, nee, nee,
Ja,
Nee,
Shit!
No way,
Niet nu,
Niet jij,
Nee
Mijn alles instabiel
Op het punt te ontploffen
O, God, O Lieve hemel,
Waarom reageer ik toch zo allemachtig chemisch
op jouw natuurlijke attracties?

(In een supermarkt, bij de frisdrankafdeling)

Zij: Pardon?
Mag ik u iets vragen?

Hij: Dat hoeft u toch niet te vragen?

Zij: Maar mag ik u iets vragen, of niet?

Hij: Ja, ik bedoel, ja,

Zij: Het is wel een gek verzoek, hoor.

Hij: Ach, ik ben wel wat gekke verzoeken gewend.

Zij: Echt waar?

Hij: Bij wijze van spreken dan.

Zij: O ja.

Hij: Eigenlijk…als ik heel eerlijk ben, worden mij zelden werkelijk gekke verzoeken gedaan.

Zij: Vindt u het dan niet vervelend dat ik u nu een gek verzoek doe?

Hij: O nee hoor, niet in het minst.

(silte)

Hij: Sterker nog, ik vind het zelfs wel opwindend.

Zij: Opwindend?

Hij: Bij wijze van spreken dan.

Zij: O ja, ja…

(stilte)

Hij: Maar wat wilde u precies vragen?

Zij: Nou….ziet u dat pak met sinaasappelsappakjes daar bovenin staan?

Hij: Die van het huismerk?

Zij: Ja, die ja.

Hij: Die zie ik luid en duidelijk.

Zij: Pardon?

Hij: Dat was een grapje.

Zij: O ja! Ja, dan was het grappig.

Hij: Maar wat is er met datpak sinaasappelsappakjes aan de hand?

Zij: Welnu, ik overweeg ernstig om tot de aanschaf van deze sinaasappelsap over te gaan, maar ik kan tot mijn spijt niet zelf niet bij het hoogste schap reiken.

Hij: En nu zou u graag willen dat ik, met mijn lengte, het pak voor u naar beneden breng?

Zij: Ach, zou u dat werkelijk willen? Wat vreselijk attent van u.

Hij: Natuurlijk wil ik dat. Het is bijna té vanzelfsprekend.

Zij: Té vanzelfsprekend? U bedoelt, u twijfelt?

Hij: Nee, nee, nee. Absoluut niet. Hetwas maar een uitdrukking.

Zij: O…juist ja.

(stilte)

Hij: Goed. Dan ga ik nu het pak pakken.

Zij: O! Nog één ding…

Hij: Zegt u het maar.

Zij:
Als ik heel eerlijk ben, heb ik slechts één pakje nodig uit het hele pak met pakjes. Is dat mogelijk, denkt u?

Hij: Weet u wat? Ik kan het altijd proberen.

Zij: O, echt? Dank u wel!

(Hij pakt een pakje sinaasappelsap uit het pak met sinaasappelsappakjes.)

Hij: Zo. Is het voor uzelf of is het een cadeautje?

Zij: O, nee, dit is gewoon voor mezelf. Voor als ik straks dorst krijg bijvoorbeeld.

Hij: O ja, ja…

(stilte)

Hij: Ik maakte eigenlijk weer een grapje.

Zij: O, echt? O, dan was het heel grappig.

Hij: Ik heb eerlijk gezegd ook helemaal geen cadeaupapier bij me, ziet u?

(Hij opent zijn tas, zij kijkt erin)

Zij: O ja, ja, ik zie het.

(Hij sluit zijn tas weer)

Hij: Dus…als u cadeaupapier zou willen, moet u bij de kassa zijn, ben ik bang.

Zij: Zouden ze daar wel cadeaupapier hebben, denkt u?

Hij: Het lijkt me de moeite van het proberen waard.

Zij: Ja, dat natuurlijk wel ja.

Hij: Anders zou je als winkel natuurlijk wel een modderfiguur slaan, als je de klanten met cadeautjes maar zonder papier naar huis stuurt.
Hoewel, je hoort de afgelopen tijd wel van die verhalen…

Zij: Verhalen?

Hij: Dat ze het tegenwoordig steeds meer gewoon meegeven, zo van ‘hups, u komt er zelf wel uit, meneer?’

Zij: Echt waar?

Hij: Heus.

Zij: Ja, dat is dan natuurlijk ook wel weer waar, ja.

(stilte)

Hij: Zal ik het anders even voor u vragen? Zo gedaan, hoor.

Zij: O, nee, nee, doet u geen moeite. Het gaat zo wel mee. Misschien nog een leuk plastic zakje, klaar.

Hij: Zeker weten?

Zij: Ja echt hoor, maar heel vriendelijk van u.

(stilte)

Hij: Goed. Zal ik het pakje dan nu maar aan u overdragen?

Zij: Als u dat zou willen, dat is bijzonder vriendelijk van u.

Hij: Vanzelfsprekend.

Zij: Maar niet té vanzelfsprekend, hoop ik?

Hij: Pardon?

Zij: Dat was een kwinkslag, geloof ik.

Hij: O ja. Ja.

(stilte)

Hij: Nou…Alstublieft.

(Hij geeft het pakje aan Zij, in de overdracht raakt zij per ongeluk zijn hand aan)

Zij: Oeh, ik raakte zomaar even uw hand aan.

Hij: Ja, inderdaad, Vond u dat vervelend?

Zij: Nee, nee, absoluut niet, nee hoor, in het geheel niet. Nee, het was zelfs…

Hij: Ja?

Zij: Ach, hoe zal ik het zeggen, het was…
hé, nou ben ik het woord kwijt.

(stilte)

Zij: Misschien….Kunt u het misschien nog een keertje doen? Ik weet het niet, wie weet vraag ik nu wel veel te veel hoor, ik bedoel ik heb al veel van uw kostbare tijd verspild en ik kan me heel goed voorstellen dat u, dus, in dat geval –

Hij: O, nee, nee, het is absoluut geen moeite.
Kijk, daar ga ik al.

(Hij raakt heel even de hand van Zij aan)

Zij: O ja! Ja, nu weet ik het weer. Het voelde absoluut…

Hij: …Ja?

(stilte)

Zij:
…Fijn.

(Om Hij en Zij heen ontploffen de colaflessen in de schappen, de supermarkt wordt overspoeld door een oceaan aan frisdrank.)

De enorme stapel met donsveertjes spat uit elkaar, omdat vijf meter verderop twee mensen, een jongen en een meisje, hand in hand met elkaar wegrennen.
Waarschijnlijk richting zonsondergang.
De meeste veertjes stuiven op, en dwarrelen dichtbij weer neer op de houten vloer,
maar sommige blijven luchtgevoelig, worden opgetild en meegenomen.
Er zijn er zelfs die over de Chinese muur komen te zweven,
of nooit meer willen dalen.

Het butterfly-effect van de liefde.

De zon staat hoog.
Een spreeuw scheert over zijn blote rug.
Het graan wuift in de verte.
Er hangt een zekere rust in de lucht,
Een zekere zachtheid.
Over de rivier is het water weer te drinken.

Hij telt de uren af in zijn dagboek,
en vouwt de blauwe envelop terug in zijn fris gewassen shorts.
Zij, zij moet 8 maanden ver zijn
nu, nu al is zij
een wolk van een dot.
Van hem van hem van hem.

De zon staat hoog.
Het zand voelt zacht.
Een zekere volmaaktheid trekt over de heuvels.
Het is de mooiste 31 maart ooit.
Hij richt zich op, ziet,
in de verste verre verte geen stapels niks niet.

‘Ich war immer dagegen’

Vandaag, bij Studio Sport,
zag ik hoe Richard Knopper bij het vieren van zijn eerste doelpunt van het seizoen (Sparta – Ado, 33ste minuut (1-3, eindstand 2-5)), zijn shirt optilde voor het uitvak met meegereisde Hagenezen, en voor pakweg een paar duizend man, bezeten door een schijnbaar extatische vreugde,
brullend naar zijn eigen tepels wees.

Het seizoen is weer begonnen.

(De Vader op. Steekt een sigaret op. Rookt. Richt zich direct tot het publiek)

Vader: U zult het misschien niet geloven,
Door de positie van mijn vingers,
De achteloze wijze waarop ik inhaleer,
-mensen die niet beter weten zullen zeggen, ‘verveeld’-
En mijn afgewerkte wolken,
Maar dit is,
De eerste sigaret die ik in mijn leven ooit rookte.

(Dochter binnen. Ze gaat zitten, begint een mand te vlechten. Ze draagt een ouderwetse baljurk. Toonbeeld van nijverheid en de 19de eeuw. Vader slaat geen acht op haar)

Vader: Een dikke vent, achterin de dertig, schat ik, een Costa Ricaan.
Zelfs op zijn sigaret zit zweet.
‘Wil je?’, vraagt hij, en hij steekt mij er één toe.
Als ik geen antwoord geef, gebiedt hij me.
‘Neem’, zegt hij, ‘neem, neem, neem’,
Gebroken taal.

Maar nu.
Wat? Twintig jaar later.
Verlangen met terugwerkende kracht.

Wat doet een Costa-Ricaan, buiten het hoogseizoen,
In een beschimmeld biljartcafé?
Ik vertrouwde het gelijk al niet, maar kijk mij nu eens.
Als u het me kunt vertellen, graag.

(Hij drukt de sigaret uit, gaat af. De dochter blijft vlechten. Donker)

Ik sloeg zojuist iets dood tussen mijn handen.
Ik dacht dat het een mug was, maar
het was slechts een fruitvlieg of
een baby-vogel.

Ik schraap hem van mijn vingerkootje,
hij is net een theeblaadje.

Met minder dan, iets dat steekt,
was ik niet tevreden geweest.
met meer dan, iets dat zoemt,
was ik bang geworden.

Mijn geweten staat te scherp afgesteld.
Ik heb spijt,
en van binnen jeuk.

He must think all the time and then he must sleep.
He saw he had to do it. Because if he couldn’t tell being awake from being asleep why he couldn’t even consider himself a grown-up person. It was bad enough to be shot back into the womb. It was bad enough to think of going on for years and years in loneliness and silence and blackness. But this latest thing his inability to tell dreams from thought was oblivion. It made him nothing and less than nothing. It robbed him of the only thing that distinguished a normal person from a crazy man. It meant that he might be lying and thinking very solemnly about something that seemed important while all the time he might really be asleep and dreaming the idiotic dreams of a two years old. It robbed him of any respect for his thoughts and that was the worst thing that could happen to anybody. He was so mixed up that he wasn’t sure whether the nurse or the rat were real.

Maybe neither was real. Maybe both were real. Maybe nothing was real not even himself Oh God and wouldn’t that be wonderful.

 

(Uit: Johnny Got His Gun (1938), geschreven door Dalton Trumbo. Als puntje bij paaltje komt, is Dalton Trumbo toch wel één van beste schrijversnamen die je zou kunnen hebben, zo niet de beste)

(Viktors parade betreedt de stad. Een bijna onwerkelijk vertoon van glitter en glamour. Schaars geklede meisjes zingen, roepen, overal klinkt muziek. Vanuit alle hoeken en gaten komen de inwoners van het Hebeca het schouwspel bekijken, zichtbaar onder de indruk)

 

Paradegangers:                  Kijk!

Lust ligt in de koopjesbak!

Proteine moisturizers tegen uw depressies!

U kunt gelukkiger zijn dan u denkt!

Wij vullen straten met boterkoeken!

De parade van de toekomst is gekomen

Om u te dienen!

 

Kijk!

Wij brengen de berg naar Mohammed!

Doorzichtig goud spoelt onze rivieren helder!

Een waterval van wodka kleurt de regenboog!

Vergeet uw glazen kerk van zoetstof!

Een nieuwe dag vol fonkelen is gekomen

Om u te dienen!

 

Kijk!

Teleurstelling is een keuze van het verleden!

Emoties zijn een parodie op bevrediging!

Leg jezelf te vondeling

in de tempel van de marktwerking!

De verloren zoon is teruggekeerd

Om u van geluk te dienen!

 

Kijk!

Een leven vol rozen is eindelijk te koop!

De toekomst staat in een pluchen etalage!

U bent de aarbeienmilkshake

Van een neon-giga-glimparadijs!

Viktor Vodka is teruggekomen

om u van geluk te dienen!

 

 

(De parade komt tot een stilstand, uit een bladerhaag van mensen, of misschien wel ondersteund door knetterend vuurwerk, doet Viktor voor het eerst zijn intrede. Hij betreedt een podium, onberispelijk gekleed, overziet de menigte, poseert als een soort caesar. Hij laat een lange, plechtige stilte vallen voor hij zijn toespraak aanheft)

 

Hiervoor ga ik branden in de hel, aangenomen dat de hel uit vuur bestaat en niet uit herhalingen van J.A.G, maar whatever. Als je dit tot een theatermonoloog zou herschrijven, heb je een topmonoloog.
(ga ik mezelf nog wel tot taak stellen een dezer eindeloze vakantiedagen)

Nu is het vooral erg schrijnend. En subliem.

« Vorige PaginaVolgende Pagina »